Zoeken sluiten

Maatwerk zonder keurslijf

Wat is er nodig om mensen met een intensieve ondersteuningsvraag goed te begeleiden? Bij de JP is het antwoord helder: doen wat past bij iemands vraag en situatie. Zulk maatwerk vraagt inzicht én lef, vertellen locatiecoördinator Joan van Leeningen en begeleiders Mirjam van Pijkeren-Scheurink en Wesley Robben. 

Je moet soms buiten de gebaande paden lopen.

‘Wat we vandaag nog niet in huis hebben, kan morgen heel gewoon zijn.’ Bij de JP is dat geen loze uitspraak, stelt Mirjam. “Ik werk hier al sinds 1996 en het gaat écht zo: we kijken wat iemand nodig heeft en wil  – en dat doen we dan, ook als we het nog moeten leren of voor het eerst organiseren. Nog niet zo lang geleden oefenden we bijvoorbeeld met een bewoner om zelfstandig te reizen. Voor dit soort initiatieven krijgen we bewust de ruimte. De JP vertrouwt op onze kennis, intuïtie en ervaring. Op onze professionaliteit.”

Meer vrijheid, minder houvast
“Ik vind dat vertrouwen niet alleen fijn, maar ook slim”, zegt Wesley. Hij werkt als nieuwe kracht op locatie Sprenkelaarshof in Apeldoorn – samen met Mirjam en Joan. “Mijn vorige werkgever had tientallen protocollen, zoals vaak in deze sector. Maar bij de JP zijn ze op één hand te tellen. Daardoor is er meer ruimte voor een unieke aanpak per persoon en ondersteuningsvraag – en voor ons inzicht en vakmanschap. Dat is veel effectiever.”

“De JP stelt mensen centraal, niet regels”, vult Joan aan. Voor begeleiders betekent dit vrijheid én verantwoordelijkheid. “Dat moet wel bij je passen. Zeker in ons team moet je maatwerk kunnen leveren, snel kunnen schakelen én zelf keuzes durven te maken. Er is geen leidinggevende die de knoop voor je doorhakt. Als je ergens tegenaan loopt, kun je dat natuurlijk wel met je collega’s en locatiecoördinator bespreken. Maar oplossingen bedenken we dan samen.”

Veel verschillen, altijd maatwerk
“Maatwerk en snel schakelen zijn nodig omdat we heel verschillende mensen ondersteunen”, zegt Joan. “Eén iemand ambulant – en veertien personen hier op locatie, elk in een eigen appartement. Zij verschillen in vraag, achtergrond en gedrag, al hebben ze allemaal een verstandelijke beperking en een intensieve ondersteuningsvraag. De één is bijvoorbeeld een oud-dakloze met verslavingsproblemen, de ander een meisje van 19 dat veel ondersteuning nodig heeft om overzicht in haar dag te krijgen en beter met haar emoties om te gaan.”

Mirjam: “Aan de buitenkant zie je vaak niet dat er iets aan de hand is.” Joan knikt: “Deze mensen worden geregeld overschat. Sommigen komen volwassen over, maar functioneren sociaal-emotioneel als een kind. Daar moet je je communicatie op afstemmen, anders begrijpen of onthouden ze niet wat je zegt.”

Jezelf zijn, terwijl je dichtbij komt
In die communicatie zijn authenticiteit en nabijheid belangrijk, benadrukt Wesley. “Protocollen zijn algemeen en onpersoonlijk. Ze maken contact afstandelijk en onecht, alsof je een trucje doet. Dat werkt hier niet. Sta naast deze mensen, zie hen als persoon en durf jezelf te zijn: echt en oprecht. Anders sluiten ze zich af.”

“Letterlijk en figuurlijk dichtbij komen”, zegt Joan, “is cruciaal voor de ‘WAT-methode’: waarnemen wat iemand wil, aansluiten op de situatie en toevoegen wat nodig is.” Wat mensen willen en nodig hebben, kan verschillen. Vaak gaat het om dingen die voor volwassenen zónder beperking heel normaal zijn. Van leren koken en omgaan met emoties tot wennen aan alleen wonen. “We ondersteunen mensen bij het leven.”

Grens verleggen, grens stellen
Begeleiders kunnen voor die ondersteuning dus amper op protocollen of managers leunen. “Je moet je eigen inzicht volgen”, zegt Mirjam. “Ook als je dan buiten de gebaande paden komt.” Ze herinnert zich iemand die diep in de put zat. “Hij was zó verdrietig. Normaal geef ik mensen hier geen knuffel. En bij hem was er een risico: hij was soms handtastelijk bij vrouwen. Maar ik sloeg een arm om hem heen. En dat bleek precies wat hij nodig had.”

“Zo’n beslissing neem je razendsnel, op basis van ervaring en inlevingsvermogen”, zegt Joan. Ze vertelt over iemand die tegen haar schreeuwde en hard met zijn hand op tafel sloeg. “Meestal blijf ik kalm. Maar nu sloeg ik óók met mijn hand op tafel. Niet uit boosheid, maar om een grens te stellen. Hij schrok – en dat opende het gesprek over hoe we met elkaar omgaan. Sindsdien begrijpen we elkaar beter en kunnen we goed met elkaar door één deur.”

Eigen stijl, met hulp van collega’s
“Begrenzing en structuren geven vaak een gevoel van rust en veiligheid”, stelt Wesley. “Dat zie ik bijvoorbeeld bij een bewoner die snel overzicht verliest. Hij wordt onrustig zonder voorspelbare dagindeling. Soms slaapt hij dan niet meer. Daarom maak ik heldere afspraken met hem, zoals: ‘Om zeven uur samen schoonmaken, daarna ga je douchen.’”

Joan: “Je hoeft hier niet in je eentje te verzinnen wat werkt. We houden elkaar scherp, reflecteren samen, delen ideeën. Ook is er een gedragskundige die met ons meedenkt en daarvoor soms met een collega-gedragskundige overlegt. Zo blijven we niet alleen alert, maar krijgen we ook professionele ruggensteun als het nodig is.”

3 medewerkers wandelen met elkaar buitenNieuwe inzichten, betere teams
Wesley: “Mij helpt het om te zien hoe anderen werken. Zeker collega’s met veel ervaring, zoals Mirjam. Door te bedenken of ik het ook zo zou doen, ontwikkel ik een manier van werken die bij mij past.” Begeleiders ontwikkelen zich daarnaast via trainingen. Van ‘Geef me de 5!’ over mensen met autisme tot ‘Meer dan verslaafd’ over (ex-)verslaafden. Bovendien zijn er themadagen. Joan: “Laatst sprak ons team hier bijvoorbeeld met iemand van 113 over suïcide. Hoe peil je of bewoners aan zelfmoord denken? En wat kun je dan doen?”

Op veel trainingen wisselen begeleiders ervaringen uit met collega’s van andere locaties. Zo krijgen ze nieuwe inzichten, die ze delen met hun team. “Ook dat maakt begeleiding steeds beter”, zegt Joan. “De JP vindt ontwikkeling belangrijk – voor bewoners die willen en kunnen groeien, maar zeker ook voor medewerkers.”

Balans zoeken, grip vinden
Welke ontwikkelpunten zien Joan, Mirjam en Wesley voor hun eigen begeleiding? “Soms nemen we nog te veel over”, zegt Wesley. “Dan helpen we iemand bijvoorbeeld zijn sokken aan te trekken, terwijl die dat prima zelf kan.” Joan: “Ja, soms onderschatten we mensen, soms overschatten we ze. Het blijft balanceren: wat kan iemand zelf en wanneer help je? Daar blijven we als team over praten. Zoals we ook bespreken hoe we beter kunnen samenwerken met de naasten van mensen die we ondersteunen. Veel van hen zouden graag méér helpen.”

Mirjam vindt het fijn om dit soort gesprekken te voeren met collega’s. “We zoeken samen manieren om de mensen hier zo goed mogelijk te ondersteunen. Zo krijgen ze steeds meer grip op hun leven. En dat in een gewone woonwijk, in een eigen huis, zonder JP-bordje op de deur! Ze voelen zich daardoor geen cliënt, maar méns. Dat helpt ze om gelukkig te zijn – en wat is mooier dan daaraan bijdragen?”